zaterdag 1 november 2014

Een helen troost...

September 23, 2014

Troost. Je kunt er zo naar verlangen op momenten waarop het leven je zwaar valt: als een geliefde is overleden, als het gebrek aan gezondheid je beperkt in je dagelijkse doen en laten, als ziekte je onbarmhartig confronteert met je eindigheid, als je gevoel van basisveiligheid wordt aangetast, als je wordt buitengesloten of wanneer je je eenzaam voelt of terneergeslagen.

Job (uit het gelijknamige Bijbelboek) snakte ernaar, toen zijn bron van inkomsten, zijn kinderen en zijn gezondheid hem waren ontnomen. Zijn vrienden bleven zeven dagen en nachten in stilte bij hem, maar toen zij begonnen te spreken bleken hun woorden allesbehalve troostrijk. Wanhopig roept Job uit: "Luister toch eindelijk eens naar mij, gun me tenminste de troost". Ook de schrijver van psalm 69 verlangt zo naar troost: "Smaad heeft mijn hart gebroken, ik ben radeloos, ik hoopte op mededogen - vergeefs; op troost - die ik niet vond."

Een onbeantwoord verlangen naar troost, of een antwoord dat - goedbedoeld - jou als  troostvrager alsnog geen recht doet, kan radeloos maken. Want als een ander jouw pijn uit de weg gaat, bijvoorbeeld door vooral met redenen of oplossingen te komen, de positieve kant van jouw situatie wil benadrukken, of wanneer de ander jouw verdriet aangrijpt om de aandacht op zichzelf te richten, dan blijft je pijn ongezien. Dan zijn zijn of haar woorden van troost vooral een hele schrale troost.

Maar aan de andere kant kun je de vraag stellen: is het wel mogelijk om een ander te troosten? Troost is immers geen pakketje dat één op één kan worden uitgewissseld. Je kunt niet zeggen: "Nu moet het beter met je gaan, want ik heb je troost gegeven".

En toch kan het contact met een ander troostend voor je zijn. Dat kan bij mensen die zichzelf even tussen haakjes kunnen zetten en jou met hun warme aandacht een deken geven, waarin je je kan hullen. Dat kan als mensen bereid zijn jou werkelijk te zien en te horen. Dat kan wanneer ze de donkergekraste bladzijde in jouw levensboek niet gelijk willen uitgummen, maar er in alle rust, samen met jou, naar willen kijken.

Een troostrijk Bijbels beeld is dat al je tranen worden gezien. Psalm 56:9 zegt het zo mooi: "Doe mijn tranen in uw kruik". Volgens de Joodse traditie bewaart God alle tranen. In de nieuwe tijd zullen ze worden getransformeerd tot frisse dauw, die leven geeft.

Troost is iets ongrijpbaars. Je kunt het een ander niet geven vanuit jouw wil en dat kan een  machteloos gevoel geven.  Maar er is tegelijkertijd ook veel dat je wel kunt doen: je kunt je hart openstellen en hopen dat het wonder van de troost vanuit de overzij haar werk doet.

De titel van mijn nieuwe gedichtenboek in de streektaal: 'Een helen troost...' mag in dat licht worden gezien. Het is vooral een verlangen om - met de woorden van Etty Hillesum - "een pleister op vele wonden te willen zijn". Het is de hoop om een klein schakeltje te kunnen zijn in dat ongrijpbare, wonderlijke gebeuren dat 'troost' heet.

Netty Hengeveld


zaterdag 12 april 2014





Gedenk te sterven                                                                                                                                   Blog Pasen 2014

Tijdens het museumweekend bezocht ik, samen met onze kinderen, museumboerderij Lebbenbrugge in Borculo. Het meest in het oog springend in de mooie kamer van het dwarshuis (dat anderhalve eeuw later in middeleeuwse stijl aan het uit 1400 stammende ‘lös hoes’ was aangebouwd) was het kabinet. Het kabinet of ‘kammenet’ een kast noemen is vloeken in de kerk, want het meubelstuk had een soort van heiligenstatus. Het werd door grote boeren of rijke burgers als bruidsschat aan hun dochter cadeau gedaan. De bovenkant werd gesierd door mooie vazen en diep in het heiligdom verborgen zaten geheime vakjes, waarin geld en waardevolle papieren zorgvuldig werden opgeborgen. In de laden trof je het daagse goed aan, maar soms deed zo’n la ook dienst als wieg. De inhoud van ‘de pronkkaste’: het linnengoed, waarvoor de aanstaande bruid zich vele avonden werk getroost had, mocht gezien worden. Het lag kunstig opgerold in de kast, bijeengebonden door een rood lintje. Maar als je goed keek zag je dat om één stuk linnen een zwart lintje zat. En dat was ’t verhennekleed, oftewel het doodskleed. Ook dat hoorde bij de uitzet van de jonge vrouw. In de middeleeuwen werd het 'memento mori' dan ook gehuldigd: ‘gedenk te sterven!’

Voor ons in deze tijd een bijna ondraaglijk zware gedachte. Wij zijn meer van Carpe diem: genieten, genieten en nog eens genieten. Deze week las ik het pas verschenen boekje van hoogleraar Ethiek Frits de Lange genaamd: Licht en zwaar – voor zwevers en andere spirituelen -. Hij constateert dat wij in onze tijd ‘licht leven’, wat betekent dat we ons hebben ontworsteld aan tradities, de dwang van geloofsgemeenschappen en het alziend oog van God. We zijn flexibel en vloeibaar en stellen onze eigen identiteit en zingevingspakket samen, ieder moment opnieuw. Onze verbindingen zijn vluchtig, onze leefwereld speelt zich voor een groot deel af in een virtuele wereld. De band tussen onszelf en de realiteit wordt steeds losser. De Lange vraagt zich af of ‘lichter leven’ de oplossing of juist deel van het probleem is.

Vroeger was Godsdienst het middel om mensen te laten aarden en wortelen. Godsdienst zorgde voor een initiatie, een inwijding in de zwaarte van het bestaan. De moderne spiritualiteit doet het tegenovergestelde. Ze wil mensen juist verlossen uit de zwaarte. Onder andere door positief te denken, stelt ze, kunnen wij gelukkig zijn. De Lange zoekt bij mystica Simone Weil naar antwoorden. Zij stelt dat wij mensen verwant zijn aan planten. Wij zijn niet vloeibaar en vluchtig, maar moeten juist geworteld zijn.

Anselm Grün sluit zich hierbij aan en spreekt over ‘de spiritualiteit van beneden’. Zij heeft geen streven in zich, zelfs niet naar geluk. Zij begint met de voeten op de grond, bij de werkelijkheid van het hier en nu. Iemand die ‘de spiritualiteit van beneden’ in praktijk brengt loopt niet weg voor zijn duistere kanten, zijn wonden, zijn emoties, maar wil zich er juist mee verzoenen. Ook als dat betekent dat hij of zij nog verder moet afdalen in de ellende. De Stille Zaterdag voor Pasen bepaalt ons erbij, dat ook Jezus afdaalde ter helle. Maar vanaf dat allerdiepste dieptepunt, in uiterste Godverlatenheid, daar neemt God hem bij de hand en stijgt met hem op.

Priester André Louf heeft eenzelfde ervaring:  ‘Daar waar ik zelf niets meer kan, waar alles mij uit handen wordt genomen, waar ik enkel nog mijn eigen mislukken kan vaststellen, precies daar is ook de plaats waar er voor mij niets anders opzit dan mijzelf los te laten, mij over te geven aan God, de handen te openen en de lege handen naar God uit te strekken. De godservaring is nooit een beloning op onze eigen inspanning, maar een antwoord op onze machteloosheid’

Ik denk nog eens terug aan dat zwarte bandje tussen het linnengoed in ’t kabinet: ‘Gedenk te sterven’. Op een terugkeer van de ‘dark ages’ zit ik persoonlijk niet te wachten, maar de lichtheid van het moderne leven geeft ook geen bevredigende antwoorden. Mensen voelen dat, denk ik, intuïtief aan. Waarom anders zijn de passieconcerten en is The Passion al jarenlang zo’n doorslaand succes? Het lijden verdient een respectabele plek in onze samenleving, omdat ze er nu eenmaal is. Laten we niet net doen alsof ze niet bestaat! Gedenk te sterven? ‘Ja!’, maar daarmee bedoel ik het lijden en sterven dat we in ons gewone, dagelijkse leven in het hier en nu ervaren. Daarvoor wil ik best op de knieën gaan.

Mien graf

Ik gao deur de kniene
en legge witte lelies
bi’j mien graf.
Want völle van wa-k
in ’t laeven gaf
-of niet gaf-
van wa-k wazze
-of wa-k had motten waen-
van wa-k ezegd heb
-of waoraover ik heb ezwegen-
is now niet meer
’t miene.

En ak dat
‘niet-miene’
niet begraeve
dan vuul ik mi’j
onvri’j.

Dan blief ik
In ewikkeld
in een laeven
dat niet langer
heurt bi’j mi’j.

Mien olde windsels
he-k now af elegd
’t Is tied veur mi’j te gaon.
„‘t Is goed zo,“
wördt d’r nog ‘ezegd
“aover een tiedjen
zu-j hier wel weer staon”.

Nog ene kere kiek ik achterumme.
‘k Stao op en maak mien rugge recht.
’t Ont-wikkelingswark geet nog wel deur
in wat ’t laeven mi’j bedech.                                                                                 

Netty Hengeveld, theoloog en ritueel begeleider
met aandacht voor de Saksische streektaal en spiritualiteit
Zie ook www.lievetied.nl

zaterdag 21 december 2013

Een kerstsoap?



Een kerstsoap?


Op facebook zag ik bi’j ‘Green Evelien’ da-j wasmiddel, vloeibaore zepe, shampoo en zo maer ok zelf könt maken. Dat lek mi’j wel wat, dus he-k alles maor es goed bestudeerd. I’j könt  verscheidene zeepsoorten gebruken, zo as Sunlight - sommigen van owluu zölt dat nog wel kennen- , maor daor schint vet van beeste in te zitten. Marseilliezepe is plantaardig, maor hef palmöllie as basis (de oogst daorvan dut nogal een anslag op onze oerwouden). ’t Alternatief dat ebaoden wier was Aleppozepe: ok plantaardig, maor met de öllie van olieven. Dat mos ’t dan maor worden. 



Met ’t ruuren van de eigengeraspte zepe in een panne met kokkend water  vuulden ik mi’j een soort van oer-huusvrouwe. ’t Rok onmundig lekker in huus (naor laurier) en ik zol straks   elf liter zepe hebben (veur nog gin vier euro), die ik zol gebruuken veur ’t wassen van de klere, de hande, de heure en veur ’t schoonmaken van de afwas en ’t huus. En ‘t grei was ok nog es helemaol biologisch afbrekbaor ok. En hoewel de zepe in de panne der uut zag as een onsmakelijke soep kreeg ik visioenen van een proper huus, hagelwit linnengoed en een babyzacht velleken. 



In tied vroeg ik mi’j af waor ik die name ‘Aleppo’ ok waer van kenden. 
Natuurlijk, miene zepe kump uut Syrië, waor dizze maond al waer verschillende aanslagen bunt ewest. Syrië, waor al dri’j jaor een oorlog an de gange is en waor al 100.000 luu um ’t laeven ekommen, waorvan zeker 11.000 kinder. De idylle was verstoord. Ik zag now pas in wat veur soepzootjen ik an ’t ruuren was. Dat de regering van Syrië nooit genog zepe kan maken um eure hande in onschuld te wassen, dat was mi’j inens wel heel duudelijke eworden. 


‘t Prutjen mos afkuulen. Ik nam mi’j een heiten bak thee en zuchten diepe. Ach, ik wis ’t ok wel: de weld is vol van bosduvels, ploddekaerls en smeerkonten, die met stralende witte boorden of smetteloos witte bluuskes eure groezelige zaakjes anpriest of verdedigt. En at ze op eur verantwoordelijkheid wordt ewezen, dan vaegt ze rap eur sträötjen schone. I’j zollen eur toch de mond spulen met zepe en een staolbossel loslaoten op eure duustere praktijken, die nooit  een zon of maone hebt ezien.


’t Krentjen van de ASN-banke lei op taofel. Een vlot jong deerntjen ston op de veurkante. ‘Ralien Bekkers’ ston der bi’j, ‘eenentwintig jaor, VN-jongeren-vertegenwoordiger’. Ik laezen wieter. Toen ze zestien jaor was raakten ‘t onrecht en de klimaatverandering eur diepe. Zie dreumden der van um zich te können inzetten veur een bettere weld. Now, vief jaor later, studeert ze Future Planet Studies en is ze jongerenvertegenwoordiger bi’j de Verenigde Naties. Maor ok daor geet ’t veural um geld en persoonlijke belangen. Die luu bunt met ’t zelfde sop aovergotten. Toch is ze niet bange um, bi’j een duurzaam-heidsconferentie in Rio de Janeiro, de kaerls in eure grieze päkke de aorne te wassen. 


Mien heufd wördt geleidelijk an kraakhelder: dat is waor kerst aover geet! ’t Kindeke in den voerzomp levert een idyllisch plaatjen op. Wat ruk der now lekkerder en zuuter dan een fris gewassen kleinen? Tegeliekertied lig den kleinen wel in nen stal. Dat hölt ons met de bene op de aerde. I’j mögt der met Kerst best efkes an ruken, an dat schone ideaal. Ii’j mögt best dreumen van een witte kerst, maor i’j mot der ow ok niet deur laoten bedwelmen. Nao de kerstdage mot der ok an ewarkt worden, an die weld die wi’j met mekare zollen willen. Mot de mouwen worden op estreupt um alles in ons zelf en um ons hen - hopje-hopje-hopje - in het sopje te doen. 

Netty Hengeveld

Religieus en ritueel dienstverlener. 
Zie ook www.lievetied.nl of www.lievetijd.nl

vrijdag 6 september 2013

Verlangen naar een intacte, rechtvaardige wereld


Zomaar een greep uit het actuele nieuws: de gifgasaanval en het geweld in Syrië; opnieuw een levensgevaarlijk lek in de Japanse kerncentrale Fukushima (waarbij de premier vooral belangrijk lijkt te vinden dat de Olympische spelen in 2020 geen gevaar lopen!); klokkenluidende vleeskeurmeesters die wijzen op het frequent voorkomen van poepbacteriën in geslacht vlees. En dat in een branche die liever de hogedrukspuit ter hand lijkt te nemen dan dat ze haar beleid in ethisch verantwoorde richting wijzigt (de gewetensvolle slagers, die er natuurlijk ook zijn, buiten beschouwing gelaten). 

Ik weet niet hoe het u/jou vergaat, maar ik lijd regelmatig aan een aandoening die door onze oosterburen zeer adequaat is gediagnosticeerd als ‘Weltschmerz’. Boosheid doet mijn temperatuur tot koortsachtige hoogte stijgen, machteloosheid bezorgt me slappe knieën en het verdriet dat de aarde en al haar bewoners wordt aangedaan blijkt als de mazelen zo besmettelijk.

Ik vermoed dat deze ‘Weltschmerz’ wordt ingegeven door een latent, maar altijd aanwezig verlangen naar een intacte, rechtvaardige wereld. Een soort paradijsverhaal, dat aan de basis ligt van iedere cultuur en van ieder mens.  Een verhaal dat een happy end kent: ‘en God zag dat het goed was’. 

Mijn paradijsverhaal speelde zich af bij opa en oma op de boerderij. Dat ontdekte ik overigens pas achteraf toen ik op de markt wat kwetsen had gekocht. Bij de smaak daarvan kwam de zoete herinnering aan een – in mijn beleving – intacte wereld ineens terug. Ik schreef er een gedicht over, over die kwetsen. Misschien – zo bedacht ik mij – moeten onze wereldleiders de worst die ze zich steeds voor ogen houden (en die riekt en smaakt naar de ‘shit’ die economisch gewin nu eenmaal met zich meebrengt) maar eens inruilen voor één van de lekkerste gaven van de natuur: kwetsen.

Kwetsen
 

De zommer is zowat veurbi’j,
maor mek mi’j
op ’t letste
nog ene kere bli’j
met ’t allerbeste:
kwetsen.

As ik in een kwetse biet’
dan pruuf ik miene kindertied
bi’j opa, oma, op de boerderi’j.
De welt was toen zo groot nog niet
en narges wa-k zo vri’j,
zo onbevangen bli’j.

Wi’j raapten kwetsen van de grond
en stopten ze zo in de mond.
D’r was zat, d’r was genog;
wi’j atten onze buukskes rond.
Geluk hing in de locht:
veur gekwetst waen was ’t nog te vrog.

Kwetsen, zo
of deur ekokt met kwetsensap:
uut ’t vuusken
of bi’j de gaele pap
(met een gael vluusken),
in de pannenkoeke of gedreugd,
’t is alles zuute, wat mi’j heugt.

En is ’t laeven minder zuute,
kost vedan gaon völle meuite,
word ik met de nekke an ‘ekekken
of kan-k met mi’jzelf niet uut de vuute?
Dan bedenk ik mi’j – met vlekken -
da’k toch had motten wecken.                          


Netty Hengeveld van Lieve tied, religieuze en rituele dienstverlening, zie ook www.lievetied.nl

Als een boom, eplant an ne streumende baeke



As een boom, eplant an ne streumende baeke

De vakantietied is weer an ebrokken. ‘nen Tied van ontspannen, van loslaoten, maor ok de uitgelaezen tied um te kieken of ow laeven nog wel is wa-j d’r van verlangt. Put i’j nog wel uut de juuste bronnen/wellen? He-j nog wel inspiratie veur de dinger die i’j doet? Die i’j mot doen? He’j der wel genog aover nao edacht wa-j zelf neudig hebt as voeding veur ow laeven? Of bater i’j maor deur?

I’j wordt zo makkelijk met eslöpt deur den dagelijksen gang en anderen bepaolt vake veur zo’n groot deel ow laeven, dat dát d’r nog wel es bi’j in schöt. ‘t Is niet veur niks dat de leu op steeds jongere laeftied al op ebrand bunt.  

Tegen die achtergrond bunt de weurde van Psalm 1 een weldaod. Den psalm geet aover ene den gevuulig is veur ‘de anwiezingen die um ‘t Laeven binnenvoert’ (dat zeg hoogleraar spiritualiteit Kees Waaijman).

Den zal waen as een boom,
eplant an ne streumende baeke,
dén elk jaor waer ziene vruchten gef,
zien loof hef van de dreugte niet te lieden:                                                          
alles, wat e ondernömp, ‘t lukt.                                                                                                                                                                                         (Vers 3)

Een mense as een boom. Ik stelle mi’j dan een boom veur, waorvan de tekskes as antennes wordt uut estokken um de signalen van ‘baoven’ zo völle mögelijk op te vangen. Hie is goed eworteld in de aerde. I’j blaost um niet zomaor umme. Hie steet stevig aoverende, en kan de seizoenen en de jaoren deurstaon. Daornaost is den boom ok nog es epaot an streumend water. Hie gef vrucht, zörgt veur schemme, maor hi’j wördt ok zelf evoed. Geven en ontvangen is bi’j um in aevenwicht.

Dat gevuul van aevenwicht, d’r wördt dizze dage ok wel esprokken van ‘flow’, dat hek in ‘t gedicht hiernaost willen uutdrukken. In ‘t Achterhoeks praote wi’j niet aover flow. Maor wi’j hebt hier wel völle mooie bekken, die ons d’r an herinnert dat ‘t mot streumen in ons laeven.
k hoppe da-j dat gevuul van ‘t gedicht de kommende tied vake bi’j owzelf zölt herkennen.
 
 Naor Psalm 1

Ken i’j dat?
‘t Gevuul
dat alles streumt.
I’j bunt dan wel
klaor wakker,
maor ’t liekt net
of i’j dreumt.
Alles wa-j maor doet
verandert –pats- in gold.
En geven völt ow ga niet zwaor,
umda-j van iederene holt.

’t Negatieve
en ’t kwaode, dat
löt ow dan egaal.
’t Raakt ow niet
-’t is niet ow verhaal-
’t krig op ow gin vat.

Want in ow
streumt ’t water.
’t Water van heel diepe.
’t Water van de bron.
’t Streumt en klatert,
helder water;
ik wol da-k
altied en eeuwig
uut eur putten kon.



Netty


maandag 4 maart 2013

Lachen en liepen in één buultjen

De maond meert is ‘enuumd naor Mars. En dan bedoel ik niet de sukela-repe veur a-j flinken smacht hebt. Mars was oorspronkelijk de Romiensen god van de vruchtbaorheid en de beschermer van de beeste. Pas later -toen ‘e samen begon te vallen met de Grieksen god Ares- toen wier ‘e ok oorlogsgod. Meert zol een goeien maond waen um ‘nen oorlog te beginnen. Dus wat aanvankelijk zuute begon krig hier een wrangen of bitterzuuten bi’jsmaak. Meert is dan ok van oldsher een maond van dubbelheid. De andere benamingen veur meert laot dat zien: ‘t Is de lentemaond, maor ok de maond van de bu-jen. Met ‘t eerste bu-w umsgeliek wat bli’jer dan met ‘t tweede, al levert die meertse bu-jen uutend-lijk wel völle gres op (is mi’j verteld).

Meert is de derde maond. In de Joodse mystiek wördt ‘t getal ‘dri’j’ ezien as ‘t getal van de uutersten. Op d’n derden dag bunt de twee beume in ‘t paradies onstaon: de laevensboom en de boom van de kennis van goed en kwaod. In de biebel zie-j dat dubbele slagmaols verschienen bi’j de ‘dri’j’.  Zo hebt wi’j de aertsvaders Abraham, Isaäk en Jakob. Jakob, ‘nen derden, is van ‘nen tweeling. Dus dubbel. (Veur de kenners: ok in de dierenriem is Tweelingen ‘t derde teken.) Daornaost hef ‘e ok nog es twee namen: Jakob en Israël; twee vrouwen: Rachel en Lea en twee dienstmeikes: Bilha en Zilpa. Dat dubbele in zien laeven uutert zich in nogal wat stried.

De verschillende dage van de wekke wordt in de Joodse mystiek op een bepaolde maniere in-edeeld. De eersten dag is de dag van ‘t mannelijke, de zonne, van ‘t eeuwige en van gold. De tweeden dag is de dag van  ‘t vrouwelijke, de maone, ‘t tiedelijke en van zilver. De derden dag -dinsdag- is ‘nen dag van ‘t kind. ‘t Kind hef wat met-ekregen van zowel zien vader as van ziene moeder en mot leern laeven met die tegenstellingen in zich. ‘t Metaal dat ‘nen derden dag (en ok ’nen derden maond) hef met-ekregen is iezer. Van iezer wier’n zweerde ‘emaakt um met te strieden.

Juust op de derden dag wördt er in de Joodse traditie vake ‘etrouwd. De gedachte daorachter is dat ‘t onzen opdracht is um tegenstellingen te verbinden. De Germanen sprakken op dinsdag recht in ‘t ‘ding’ (een vergadering van ‘t volk). Eén van die plaatsen waor dat gebeurn was in ‘t Achterhoekse Dinxper (Dinxperlo). Bliekbaor kump ‘t er op d’n derden dag op an. As in  het biebelboek Jesaja recht wördt ‘esprokken dan krig ‘t oorlogsmetaal van ‘nen derden dag een anderen bestemming: ‘Hie zal recht sprekken tussen de völker, völle staerke naties terechtwiezen. Dan zölt  ze van eure zweerde ploegiezers maken en van eure speren maakt ze zich zichten. Gin volk zal maer ‘t zweerd opkriegen tegen ‘n ander volk. Gin mense zal nog wetten wat oorlog is. Kom, huus van Jakob, lao-w gaon laeven in Zien lecht.

Christenen ziet in den kearl waoraover hier ‘esprokken wördt Jezus. In dizze periode laeve wi’j toe naor Paosen. ‘t Feest waorin de tegenstellingen tussen laeven en dood deur Um -ten derden dage- wordt aoverbrugd. Waorin geluk en verdriet niet meer tegenstriedig bunt an mekare. Waorin de stried is aoverwonnen en wi’j in innerlijke vrae könt laeven. Angezien meert ok de dialectmaond is mos ik denken an een mooien uutdrukking van mien aovergrootmoeder. ‘t Is wat uut de tied ‘eraakt, maor nog altied mooi:  ‘lachen en liepen in één buultjen’. (Lachen en huilen tegelijk). Daor, waor wi’j kleine of grote tegenstellingen bi’j mekare wet te brengen in één buultjen, bu-w al aardig op weg naor Paosen. 





Netty Hengeveld


Netty Hengeveld is theoloog en eigenaar van Lieve tied, bureau voor religieuze en rituele dienstverlening met aandacht voor de Saksische spiritualiteit en streektaal. Zie ook www.lievetied.nl of www.lievetijd.nl
De kerstcolumn van www.lievetied.nl

Ode an Tommie, oftewel een bedretten kerst

De tied vlög veurbi’j. Het is alweer december. Dé maond met onmundige pieken voor feestnummers en pretletters of chocoladeletters. Kortumme: de tied van Sinterklaos en kerst: ’t ende van ’t jaor. En zo an ’t ende van ’t jaor liekt  ‘et mi’j toepasselijk um ow een verhaaltjen te vertellen met een endjen, een voel endjen, wel te verstaon. Een toepasselijk verhaal um onpasselijk van te worden. Maar het is wel waor gebeurd.

‘t was den eersten kerstdag, alweer een jaor of twintig geleden. Mien vader, moeder en ikke wazzen  deur mien zuster uut-eneudigd in eur kroeperige, maor gemuudluke duplexwoning in Varsseveld, bi’j eur en eure, ietwat zwakbegaafde katte Tommie. 

Zie had zich onmundig uut eslakkerd met ’t etten en wi’j konden dan tegeliekertied eure ni’je vloerbedekking kommen bekieken. ’t Huusken was helemaol in kerstsfeer. I’j wet wel: dennengeur en keerslocht. In eur geval nog vermengd met de locht van de ni’je vloerbedekking. Vanuut de kökken wier de menukaarte naor ons toe estuurd: niet met rooksignalen, maor wel met heerlijke aromadampen. Um kort te gaon: de luchtjes waarn niet van de locht. Maor d’r kwam nog het een en ander bi ‘j. Plotseling rokken wi‘j een niet al te best te duuden schruuilocht. Naodat mien zuster alle dekkels van de pannen had ‘e-tilt was ze d’r toch vri’j zeker van dat er niks was an-ebrand. Wat blek: Tommie -i’j wet wel, de verstandelijk gehandicapte katte- had ziene snorheure deur een keerse ehaald. De snorre was een betjen in ekort en d’r zatten krullekes in. Hie schrok d’r een betjen van en draeiden met ziene konte, waarnao hie ok nog es een keere ziene start onmundig heite kreeg. ’t arme dier. 

Maor goed, wij gaot wieter met ons verhaal. Mens en dier wazzen dus ‘vreetzaam’ bij mekare, zoas dat toch met kerstmis verwacht mag worden. (Tot den bewusten dag he-k altied ‘edacht da-j met de kerst ‘vreetzaam’ net zo goed met een t als met een d konden schrieven. Dat mek met die dage niet zo völle uut. I’j zölt zelf die ervaring ok wel hebben, denk ik. Maor sinds de kerst van dat jaor denk ik d’r toch niet zo licht meer aover. )

De soeppanne kwam op taofel. Maor de soep wier toch niet zo heit ‘egetten as dat ‘e wier op ediend. Want daor kwam nog wat tussen. Veurdat wi’j an de maoltied zollen gaon beginnen wollen wi’j eerst nog een moment stille waen. Efkes de handen vouwen, en effen de loeken dichte doen.Tja en dat letste hadde wi’j better kunnen laoten. Want in ‘t donker en in de stilte gebeurt ‘t. Dan kan d’r ow soms meer ‘eopenbaard worden dan ow lief is.  

De stilte wier verbrokken deur het krabben van Tommie in de potgrond van een plante. Mien zuster zag de bujje al hangen. Tommie had namelijk wel vaker de gewoonte um zelf de een of andere  plante tot kattenbak te bombardeern, en dat wol mien zuster koste wat kost veurkommen. Ze kwam schieluk uut eure meditatie en renden doelgericht op de katte af, tilden um op, met de bedoeling um  zo snel meugelijk naor zien eigen poepdoze te transporteern. En toen gebeurden ‘et: want op ‘et moment dat ze de katte over mien vader hen mos tillen -vanwege de krappe behuuzing- liep den leug. Kats leug. En i ‘j wilt niet wetten hoevölle het beste dier al ‘ehamsterd had veur de feestdagen. Nooit hadde wi’j ‘edacht dat d’r zovölle in een katte kon, en arger nog: dat d’r uut kon kommen. Hoe mien vader, wie’t d’r toevallig net onder zat, zich vuulden: ku’j ow vast wel veurstell’n: bedretten. 

De diarree liep tussen ziene stekkelkoeve deur en stevenden met gezwinde spoed op ziene wenkbrauwen af. Het zondagse pak dat ‘e anhad kreeg een heel bizunder cachet en mien zuster eure ni ‘je vloerbedekking trouwens ok.

Tommie, d’n driettebuul, wier naor ‘et balkon ‘ebracht um te veurkommen dat mien zuster het arme dier wat an zol doen. Veur um was d’r gin plaatse meer in de harbarg. De vloerbedekking wier schoon emaakt, pa ging onder d’n douche en trok zich ‘t andere pak an, da’w maor efkes veur um hadden op ehaald. De soep wier op ewarmd en wi’j konden dít maol endeluk beginnen aan ’t kerstmaol, in de hoppe dat Tommie niet ál te hard  ‘espetterd had.